Annemieke Klein Hesselink maakt origami tessellations. Dat zijn gevouwen vellen papier, met daarop herhalende en symmetrische patronen. Er wordt niet geknipt en geplakt. De techniek ontstond in Japan, in de jaren 70 van de 20e eeuw.

 

DE MAKER
Het begon allemaal met de behoefte aan een bezigheid zonder knoeien en zonder rafels. Met als uitkomst het papiervouwen. Origamicursussen bij het Sociaal Cultureel Werk in Aalten eind jaren 80, waren de volgende stap.

Eerst maakte ze vouwsels die door anderen bedacht waren, later ging ze zelf ontwerpen. Symmetrische en herhalende patronen vindt ze fascinerend. Ook is ze is altijd benieuwd of een eigen bedenksel uitvoerbaar is. Daar leert ze van, het is een vorm van zelfontplooiing. Ze is geboren in 1958 en woont in Aalten. Ze heeft een achtergrond in de metaal en techniek.

 

DE TESSELLATIONS
Het begint met het maken van een raster in het papier. Dit raster is zichtbaar op het eindproduct. Het papier moet sterk en soepel zijn en je moet er neutrale vouwen in kunnen maken. Kraftpapier, tant en elefantenhaut zijn hier bijvoorbeeld goed voor te gebruiken.

Voor het maken van de rasters met gelijkzijdige driehoeken, of het verdelen van het papier in 3 of 5 delen, is geen meetgereedschap nodig. Daar zijn trucjes voor. Na het vouwen van het raster volgt het manoeuvreren met het papier, zodat er een patroon ontstaat. Meestal is dat een symmetrisch patroon, maar Annemieke maakt ook tessellations die niet symmetrisch zijn. Door te spelen met het papier ontstaan er weer nieuwe modellen.

De tessellations zijn niet altijd plat, opstaande randen zorgen voor schaduw. De zijden zijn niet altijd recht. Het zijn objecten die aan de muur kunnen hangen met een paperclip of papierklem. Of platliggen op een horizontaal oppervlak.